Zielenlicht

February 12, 2020

 

 

 

 

Ik kijk diep, in de donkere poelen van wie ik ben.
Ik denk te zijn.
Maar al lang weer iemand anders was dan gisteren,
dan vorig jaar,
dan vijf jaar geleden.
Ik kijk in de spiegel,
in diezelfde ogen als tien jaar geleden.
Toch staan zij anders.
Zoveel gezien,
zo veel niet willen zien,
maar toch gezien.
Zoveel schoonheid gezien, zoveel vreugde, zoveel bijzonders, zoveel leed, zoveel pijn, zoveel verdriet.
Ik bedenk me waar ik vandaan kom.
Waar ik nu ben.
Wie ik was.

Wie ik nu ben.

 


Een persoon, veranderend, vanbinnen, van buiten, altijd in verandering.
Indrukken opdoen, dingen ervaren, herinneringen makend, een voelend en denkend wezen, een ziel in een lichaam.
En naast mij velen anderen, als een noot naast een noot, een draad naast een draad, verbonden, in een harmonieus weefsel, een lied van draden…
Zo leven we naast elkaar, ons niet bewust van onze verbondenheid, dat we deel uitmaken van dit wonderlijk lied, dit Zielenlied.



Ik kijk in de spiegel, waar ben je, ziel? Zit je achter mijn ogen? Waarom kan ik je niet zien?
Ik kan je enkel voelen, wanneer ik drum, wanneer ik door de wilgenbossen loop, wanneer ik de regenwulp hoor roepen in de nacht onder de volle Maan..
Je bent daar, in de pauze tussen mijn gedachten, rustig en bescheiden aanwezig, nooit schreeuwend, je nooit opdringend, een altijd tedere, vloeiende aanwezigheid…



Ik weet dat je er bent als je mijn keel gebruikt wanneer ik zing, mijn lippen wanneer ik liefkoos en mijn lichaam als ik dans op het ritme van ons godenlied dat vanuit mijn binnenste opwelt, als een bron, als Geysir uit IJsland, kom je omhoog in het diepst van wie ik denk te zijn…

 



Met mijn gedachten kan ik je niet vangen,
mijn gesprekken over jou zijn tevergeefs.
Met mijn handen kan ik je niet pakken,
mijn zoektocht is tevergeefs.
Met mijn ogen kan ik je niet zien,
mijn foto’s laten enkel het oog van de waarnemer zien.
Met mijn woorden kan ik je ook niet vangen,
hoewel de dichtkunst soms een lichtflits laat zien
van jouw stralende werkelijkheid.

 



Jouw Licht,
stralend door wat ik denk te zijn,
stralend door illusies,
door gedachtes en emoties.
Het Licht dat het allemaal omvat.
Het Licht dat boven licht en duisternis staat, het is en omvat, tegelijk.
Bij jou kom ik uit bij de ladder,
elke keer draag je me een trapje hoger,
dichtbij het Al,
het Allesomvattende.
Dat wat ik zag in de boterbloem tijdens mijn moment van inzicht,
daar toen alles wat ik was verdwenen was
door intens verdriet.

 



Een opening in de vergankelijkheid
die daarmee geheiligd wordt,
door de ogen van de Ziel is ieder schepsel heilig,
iedere boom, iedere plant, ieder mens, iedere steen.
Zonde en schuld ontmaskerend als niet-bestaand,
waarin we samen voorbij gaan aan de vorm,
als dansend op de stenen van de tombe
die de toegang vormt tot het eeuwige leven
waar de giervrouwe ons opwacht

 



Oh licht van de lentezon aan het einde van de tombe,
dit alles laat jij me zien,
de maagd aan de bron biedt me een hoorn mede aan
en het goud klatert over mijn ziele-lippen
…ik slaak een zucht…
Wat een zaligheid om wakker te worden op het gras,
mijn gezicht in de lentezon, onbezonnen, onschuldig,
vredig…
...